Wenn Arbeit wieder schmerzhaft wird

Als ich zu Beginn der achtziger Jahre eines der von vielen Teilnehmern besuchten Seminare “Über die Qualität des Daseins” von Prof. Dr. P.J. van Strien, damals Professor für Arbeits- und Organisationspsychologie, besuchte, stellte ich ihm die Frage, warum Arbeit für uns Menschen eigentlich so wichtig ist. Wären die Menschen ohne Arbeit nicht viel glücklicher? Ich erinnere mich noch an seinen Blick voller Unglauben, mit dem er mich anschaute. Er versuchte mit zurückgehaltener Wut, [Weiterlesen…]

Tijd en arbeid

In zijn boek “Neem de tijd: overleven in de to go-maatschappij” onderzoekt Koen Haegens, redacteur van De Groene Amsterdammer, de achtergronden van de gehaastheid van de moderne Nederlander. Hij vraagt zich af hoe het komt dat mensen zich schijnbaar vrijwillig overgeven aan een tijdsdiscipline die hun sneller doet eten, lopen, spreken en werken.
In dit onderzoek maakt hij onder andere gebruik van een boekje dat hij tijdens een bezoek aan Berlijn ontdekte: “Kleine Geile Firmen” geschreven door Arndt Neumann, historicus en activist. Neumann poneert hierin de stelling dat de alternatieve bewegingen van de jaren „60-„70-„80, de weg hebben bereid voor het neoliberalisme. Of men het met deze politieke stelling eens is of niet, Neumann laat op een overtuigende wijze zien hoe in een paar decennia het “gehoorzame innerlijk” van de mens zich door tal van groei- en ontwikkel trainingen en nieuwe omgangsvormen met gezag en autoriteit werd omgevormd tot een “innerlijk, dat autonoom en vrij” wilde zijn. Het neoliberalisme is er volgens hem perfect in geslaagd om deze individualistische en naar vrijheidsstrevende mens op te nemen in het moderne productieproces. En wel dusdanig dat hoge productiviteit samenging met ervaringen van ontplooiing, ontwikkeling en individuele erkenning. Door de eigenverantwoordelijkheid te benadrukken en zelfsturing te eisen ontstond een werknemer die zijn eigen baas werd, maar ook zijn eigen slavendrijver.
Koen Haegens laat echter zien dat het verhogen van de productiviteit op dit moment niet voor iedereen samengaat met individueel welzijn. Meer en meer mensen klagen over stress in het werk, de diagnose “burn out” wordt steeds vaker gesteld, en het gebruik van antidepressiva neemt toe. Hij ziet het ontstaan van een bovenklasse die instaat blijkt goed om te gaan met de verdichting en versnelling van het werk. Deze groep ontleent er in ruime mate haar status aan. En het ontstaan van een onderklasse, de loosers, die het huidige werktempo niet kunnen volgen en zich nieuwe werkwijzen, die diep in het private leven dringen, niet kunnen of willen eigen maken. Die groep wordt achterna gezeten door de overheid en gewezen op hun burgerplichten om een bijdrage aan de economie te leveren. Zij zijn ook het doelwit van hoon van succesvolle leden van de bovenklasse.
Veel medewerkers lijken te lopen in een tredmolen die zich aanvankelijk liet aanzien als ondersteunend voor de eigenwaarde en ontplooiing. Harder lopen en eruit stappen lijken voor hen onmogelijke alternatieven.
Beide boeken problematiseren in zekere zin de huidige arbeidsomstandigheden en cirkelen rondom de vraag: “Wat nu? Dat lijkt me op dit moment niet een vraag die alleen medewerkers zich dienen te stellen. Als het zo is dat ondernemingen zich op een geraffineerde wijze de tijd van de mensen heeft eigen gemaakt, dan lijkt een hernieuwd beroep op de eigen verantwoordelijkheid van medewerkers onvoldoende om dit vraagstuk op te lossen.
Zie ook het artikel van Koen Haegens in De Groene Amsterdammer met de titel: „Op de barricade voor de 16- urige werkdag“.